De Witte Floxus

Op zondag 9 oktober 2005 geschreven door Jo Pinxt als gastschrijver op de website jeugdsentimenten.flox.jpg
Er zijn bloemen die je zintuigen terug voeren naar, geuren, emoties en herinneringen vanuit je jeugd. De boeren floxus uit onze tuin is die bloem voor mij. Als 13 jarig joch leg ik het tuinboeket, de steeltjes verpakt in zilverpapier, donderdagavond 7 juli 1960 naast je hoofd in de kist in de rouwkapel van het ziekenhuis “De Goddelijke Voorzienigheid” te Sittard.

Jij bent net 50 jaar geworden. Nadien heb ik bij het horen van die naam Goddelijke Voorzienigheid, mij vaak afgevraagd: Wat was hier Goddelijk aan, en wat voorzien met tien kinderen en de jongste vier jaar?Jouw zwarte-grijze haren fonkelen in het licht van het zilverpapier en je ziet er uit als een lieve Fee.Het is dinsdagavond 4 juli dat ik samen met mijn oudste broer,zijn verloofde en mijn vader met de fiets op ziekenbezoek bij je ga.
Mijn jongere broer en ik logeren tijdens jou ziekenhuis opname bij je vriendin tante ‘Sunny Home’ in ons gehucht Spaans-Neerbeek nabij Geleen. ‘Sunny Home’ stond op de voorgevel in smeedijzer van het huis, en dus heette tante ook zo.

Aangekomen in het ziekenhuis ben ik blij, emotioneel en opgelucht. Ik vlei mij huilend tegen je aan. Je streelt me over mijn donkere haren en zegt dat mijn broertje en ik lief en tevreden moeten zijn bij tante Sunny. Ik verzeker je dat we dit zijn. Immers alles is mooier en luxer dan bij ons thuis, dus waarom zouden we niet tevreden zijn.

Die nacht, zeg je tegen ons buurmeisje, die als verpleegster in het ziekenhuis werkt. Als ik niet meer thuis kom, wil ik die bloemen op mijn graf hebben, wijzend op de bloemen op je nachtkastje. Of dat gebeurd is? Ik weet zeker van niet. Immers alle bloemen op graf heb ik op de dag van jouw begrafenis in handen gehad.

Woensdagochtend 5 juli.
Mijn broer en ik zijn om 7.30 uur met de fiets op de terugweg vanuit de vroegmis die ik als misdienaar had moeten dienen op weg naar tante Sunny voor het ontbijt.
Voor ons ouderlijk huis aangekomen,stappen mijn vader en oudere broers en zussen (6) van hun fiets. Verbaast vraag ik mijn vader waar ze vandaan komen?
Een hartverscheurende schreeuw van mijn vader, ” We hebben geen Moeke meer”, zet mijn hele wereld op zijn kop. Ik laat mijn fiets vallen, en huilend loop ik mee naar binnen. Ik ben vol ongeloof.
Tante Sunny vangt ons nadien op en zegt dat Moeke gelukkig in de hemel is. Ik geloof haar in eerste instantie niet, maar toch iemand die in een zonnig huis woont kan toch ook niet helemaal ongelijk hebben.

Tijdens het ochtend speelkwartier op school luiden de dodenklokken. Die zijn voor ons Moeke. Ik voel me trots met zoveel aandacht van de meesters, juffen en klasgenoten tussen mijn tranen door. Maar geloven dat zij dood is, vergeet het maar.

Woensdagavond 5 juli
Mijn vader en oudere broers en zussen gaan naar de rouwkapel om jou te bezoeken. Wij jongeren mogen niet mee. Zij zeggen dat de trombose waaraan je bent dood gegaan, jou gezicht paars heeft gekleurd, en dat zou een nare herinnering voor ons blijven.
Ik word kwaad en opstandig en pik dit niet.
Hoe dan ook, ik weet zeker dat ik morgen mee ga.

Donderdagavond, 6 juli
Opnieuw gaan zodadelijk de ouderen jou weer bezoeken. Ik maak een drama, en zeg tegen mijn vader dat ik niet geloof dat Moeke dood is als ik haar niet mag zien.
Uiteindelijk mag ik gezeten in mijn korte broek met de bos floxus stevig in mijn handen achterop de fiets van mijn vader mee.

Je ligt verhoogd in een kist van berkenhout. Ik kan net over de rand kijken. Je slaapt, en je zwarte- witte haren zijn mooi gekampt en steken af tegen het geel-witte zijde hoofdkussen. Jou gezicht is lief, niet streng, en niet paars.Je hebt dezelfde kleur als het kussen en een roze kleed aan. Over je borsten liggen twee witte Anjers gekruist. Met deze bloemen heb ik nadien nooit meer iets gehad.
Tussen je handen de wit gevlochten rozenkrans die je ooit gekocht had op Bedevaart in Banneux te België. Ik herinner mij nog de cote-dor chocolade gevuld met hazelnoten die we kregen als je daar van terug kwam.
Als pap jou omhelst en kust, en zegt Mieke dit is de laatste keer en ik mijn vader voor het eerst in mijn leven zie huilen, besef ik dat het waar is. Moeke jij bent dood.
Allen huilen we in koor, maar het lucht op.

Vrijdagochtend 7 juli
Het is gezellig druk in ons huis. Ooms, tantes, neven, nichten en familieleden die ik niet ken, maar allemaal zeggen dat we gauw maar eens langs moeten komen. Ik begrijp er niets van, want ik weet niet eens waar de meeste wonen.
Om 10.30 uur sta jij voor ons huis. Niemand die jou naar binnen brengt. Jij woont hier toch. Huilend kijk ik door het openraampje in de voordeur naar je kist.
In volgorde lopen we nadien achter de lijkwagen naar de kerk.

Vandaag hoef ik als misdienaar de begrafenismis niet zelf te dienen. Nee, vandaag mag ik zelf het lijdend voorwerp zijn. Vandaag mag ons gezin in tegenstelling tot andere dagen helemaal vooraan in de kerkenbanken zitten en hoeven we ons niet druk te maken over bankpacht naar gelang inkomen.

Zes kaarsen staande op zilveren kandelaars omlijsten je kist die staat op een baldakijn van zwart linnen en wit kruis. Op de kist liggen allemaal kransen. Een van os als gezin, met de tekst ‘Rust zacht Lieve Moeke’. Het lint, heb ik tot mijn 18 jaar bewaard boven mijn bed.
Als het zegenen en bewieroken begint, besef ik dat het onvermijdelijk moment is aangebroken. De gang naar het kerkhof. Deze keer hoef ik niet met stok met kruis aan het hoofd van het gedolven graf te staan. Nee vandaag doet dat mijn vriendje Ton van Erkens. Vandaag mag ik huilend aan het voeteind staan en toekijken hoe jij hangend in de touwen naar beneden zakt. Vandaag moet ik net als iedereen zware Limburgse aarde op je gooien en de holle klank daarvan aanhoren.

Thuis gekomen is er een koffietafel. Inmiddels is het gaan regenen.
Ik maak mij zorgen over de bloemen op het graf. Alles wordt nat. Ik besluit op de fiets naar het kerkhof terug te gaan en alle bloemen in de kerk bij het Maria altaar neer te leggen zodat ze droog blijven.
Als ik dit nadien trots tegen mijn vader vertel word ik onmiddellijk terug gestuurd om alles weer terug te leggen. Ik begrijp er niets van.

Vanaf 8 juli tot mijn vertrek 1 september naar het klein seminarie te Merkelbeek is het graf van Moeke mijn speel- en praatplaats.
Twee maal per dag bezoek ik je en ga ik zitten op de opgehoogde klei te midden van de bloemen. Ik vertel hele verhalen tegen je. Wekelijks hark ik de klei ,en ververs de bloemen in de weckpotten die verzonken in de aarde staan. Nadat er een marmeren steen op je graf komt en het afgedekt wordt met scherpe marmeren steentjes, gaat er bij mij de lol af. In de klei kon ik brieven aan je schrijven,ze weer uitwissen,beeldjes kneden, en er op zitten. Nee, die steentjes voelde maar koud aan en waren scherp aan je billen.

1 september.
Ik ga naar het seminarie. Jij wist dat ik priester wilde worden. In eerste instantie was je daar niet blij mee. Immers jouw oudste was ook al naar het seminarie geweest (1947). Na de oorlog was dit financieel voor jullie een zware periode,en zijn roeping ging over.
Ook nu hadden jullie het financieel niet breed met inmiddels tien kinderen. Toch weet ik dat je trots was. Wel is het goed dat je de afloop niet gekend hebt. Ik heb drie schatten van kinderen gekregen, waarvan de twee meisjes de felheid van jou hebben en mijn zoon meer van pap.

Nee, het seminarie was geen succes. Verdriet beheerste mijn leven. Avond en avond schreef ik in de studiezaal brieven aan jou in plaats van latijn te leren. Na een jaar heb ik ze ingepakt in een cederhouten sigarenkistje van pap en in het donker achter de cour met mijn handen begraven. Het begin van los laten.

Inmiddels ben 59 jaar en jou al 9 jaar overleefd. Toch houden mijn zintuigen, door zien en ruiken, de herinneringen aan een lieve moeder levendig. Dit telkens als ik een floxus zie staan, waar ook ter wereld.

Advertenties