phlox-1.jpg
Er zijn bloemen, die je zintuigen terugvoeren naar geuren, emoties en herinneringen vanuit je jeugd.

De witte Phlox uit onze tuin is voor mij die bloem. Als 13 jarig joch leg ik het boeket, de steeltjes verpakt in zilverpapier, op donderdagavond 7 juli 1960, naast je hoofd in de kist in de rouwkapel van het ziekenhuis ‘De Goddelijke Voorzienigheid’ te Sittard. Je bent 50 jaar. ziekenhuies-sittard.jpg  het ziekenhuis, Goddelijke voorzienigheid.  

Ik heb nadien, bij het horen van de naam Goddelijke Voorzienigheid’, mij vaak afgevraagd.

Wat was hier goddelijk aan en wat voorzien met tien kinderen, van wie de vijf jongste tussen zes en dertien jaar oud zijn?

Jouw zwart – grijze haren fonkelen in het licht van het zilverpapier en je ziet eruit als een lieve fee. 

Het is dinsdagavond 4 juli, wanneer ik samen met mijn broer Hub, zijn verloofde Clim en  vader met de fiets op ziekenbezoek bij je ga.

Met broer Ad logeer ik tijdens jouw ziekenhuisopname bij je vriendin, tante ‘Sunny Home’ in ons gehucht Spaansneerbeek, nabij Geleen. ‘Sunny Home’ staat met smeedijzeren letters op de voorgevel van het huis en dus heet tante ook zo.  jeugdopnames-20020122jp-037.jpg  de woning van tante Sunny 

Aangekomen in het ziekenhuis ben ik blij, emotioneel en opgelucht.

Ik vlij me huilend tegen je aan. Je streelt over mijn donkere haren en zegt dat Ad en ik lief en tevreden moeten zijn bij tante ‘Sunny’. sunny-homespaans.jpg noock en tante

Ik zweer dat we dit zijn. Immers alles is mooier en luxer dan bij ons thuis, dus waarom niet tevreden. 

Tijdens de nacht zeg je tegen ons buurmeisje Ellie Hamers, die als verpleegster in het ziekenhuis werkt.

“Als ik niet meer thuiskom, wil ik die bloemen op mijn graf hebben, wijzend op het boeket dat op het nachtkastje staat”.

Of dit gebeurd is? Ik weet zeker van niet. Ellie verwijt ik dit niet als verpleegster, immers allen bloemen werden na het bezoekuur om zuurstof reden op de gang gezet.

Daarnaast heb ik alle bloemen op de dag van jouw begrafenis in mijn handen gehad. 

Woensdagochtend 5 juli,

Ad en ik zijn om 7.30 uur met de fiets vanuit de vroegmis naar tante ‘Sunny’ voor het ontbijt.

Voor ons ouderlijk huis aangekomen, stappen vader en oudere broers en zussen, zes in getal, van hun fiets.

Verbaasd vraag ik mijn vader, waar ze vandaan komen? Er klinkt een hartverscheurende kreet uit zijn mond.

We hebben geen Moeke meer.

Huilend hol ik naar binnen.

Tante ‘Sunny’ vangt ons nadien op en zegt dat Moeke gelukkig in de hemel is. Ik ben  niet te overtuigen. Maar toch, iemand die in een zonnig huis woont, kan ook niet helemaal ongelijk hebben. 

Tijdens het speelkwartier op school luiden de doodsklokken. Die zijn voor ons moeke. Ik voel me tussen mijn tranen door trots met zoveel aandacht van de meesters, de juf en klasgenoten.

Maar geloven dat jij dood bent, vergeet het maar. 

Woensdagavond 5 juli,  

Vader en oudere broers en zussen gaan zo naar de rouwkapel om jou te bezoeken. Wij jongeren mogen niet mee.

Zij zeggen, dat de trombose, waaraan je bent doodgegaan, jouw gezicht paars heeft gekleurd en dat zou voor ons een nare herinnering blijven. Ik ben kwaad en opstandig en pik dit niet. Hoe dan ook, ik weet zeker dat ik morgen mee ga. 

Donderdagavond 6 juli,  

Opnieuw gaan zo dadelijk de ouderen weer op bezoek bij jou. Ik maak een drama.Tegen mijn vader zeg ik. Ik geloof niet dat Moeke dood is als ik haar niet mag zien.

Uiteindelijk mag ik op aandringen van mijn zwager Louis, gezeten in mijn korte broek met de bos phloxen stevig in mijn handen geklemd, achterop de fiets van vader mee. 

Jij ligt verhoogd in een kist van berkenhout. Ik kijk net over de rand. Je slaapt en jouw zwart – witte haren zijn mooi gekampt en steken af tegen het geel – witte zijden hoofdkussen.

Jouw gezicht is lief, niet streng en niet paars. Je hebt dezelfde kleur als het kussen en een roze kleed aan. Over je borsten liggen twee witte anjers gekruist.

Met die bloemen heb ik nadien nooit meer iets gehad.

Tussen je handen heb je de wit gevlochten rozenkrans, die je ooit gekocht hebt op bedevaart naar Banneux in België.

Ik herinner mij de cote d’or chocolade, gevuld met hazelnoten, die we kregen bij jouw terugkeer. 

Als pap jou omhelst en kust en zegt: “Mieke, dit is de laatste keer”, en ik mijn vader voor het eerst in mijn leven zie huilen, besef ik dat het waar is.

Moeke jij bent dood. Allen huilen we in koor, maar het lucht op. 

Vrijdagochtend 7 juli, 

Het is gezellig druk bij ons thuis. Ooms, tantes, neven en nichten en andere familieleden waarvan ik de meeste niet ken.

Ze zeggen dat we eens gauw langs moeten komen. Ik begrijp het niet, want ik weet niet eens waar de meeste wonen. 

Om 10.30 uur sta je voor ons huis. Niemand die jou naar binnen brengt. Jij woont hier toch. Huilend kijk ik door het open raampje in de voordeur naar je kist.

In volgorde lopen we nadien achter je aan naar de kerk. 

Vandaag hoef ik als misdienaar de begrafenismis niet zelf te dienen. Nee,  deze dag ben ik zelf lijdend voorwerp.

Ons gezin zit in tegenstelling tot andere dagen, helemaal vooraan in de kerkbanken. Vader hoeft zich niet druk te maken over de bankpacht, afhankelijk van het gezinsinkomen. 

Zes kaarsen, op zilveren kandelaars omsieren je. Op de kist liggen allemaal kransen. Eén van ons gezin met de tekst: ‘Rust zacht lieve Moeke’. Het lint bewaar ik tot mijn achttiende jaar boven mijn bed. moekes-doden-tekst-voorkant.jpg.moekes-doden-tekst-achterkant-001.jpg Doodprentje Moeke       

Als het zegenen en bewieroken begint, besef ik dat het onvermijdelijk moment is aangebroken, de gang naar het kerkhof.

Deze keer hoef ik niet met het kruis aan het hoofd van het gedolven graf te staan. Nee, dat doet mijn vriendje Ton Erkens uit Neerbeek.

Nu mag ik huilend aan het voeteind staan en toekijken, hoe jij hangend in touwen, ongelijkmatig naar beneden zakt.

Ook moet ik net als iedereen, zware gele Limburgse klei op je gooien en de holle klanken daarvan aanhoren. 

Thuis gekomen is er een koffietafel, terwijl de regen tegen de ramen striemt. Ik besluit op mijn fiets terug te gaan om de bloemen op je graf droog te bewaren bij het OLV Sterre der Zee in de kerk.  jeugdopnames-20020122jp-066.jpg 

Als ik bij thuiskomst dit trots aan mijn vader vertel, word ik onmiddellijk teruggestuurd om alles weer op je graf te leggen. Waarom? 

Vanaf 8 juli tot 1 september, de dag dat ik naar klein – seminarie ga in Merkelbeek, is jouw graf mijn speel – boetseer en praatplaats.

Twee maal per dag bezoek ik je en ga ik zitten op de opgehoogde klei temidden van de bloemen, die in wekpotten, verzonken in de aarde staan.

Zodra er een marmeren steen op je graf wordt geplaatst en deze met scherpe marmeren steentjes bezaaid wordt, gaat er bij mij de lol af. 

In de klei kon ik brieven aan je schrijven, ze weer uitwissen, beeldjes kneden en erop zitten.

Nee, die steentjes voelen maar koud aan en zijn scherp aan mijn billen. jeugdopnames-20020122jp-047.jpg 
 

1 september,

Ik ga naar het seminarie. Jij wist dat ik priester wilde worden. In eerste instantie was je daar niet blij mee.

seminarie-merkelbeek.jpg Immers, mijn oudste broer Hub was ook al naar het seminarie geweest (1947). De oorlog was net voorbij en financieel hadden jullie het niet breed.

Ook nu is het armoe met tien kinderen. Toch weet ik, dat je trots zou zijn.

Wel is waarschijnlijk goed dat je de afloop nooit gekend hebt.

Ik heb drie schatten van kinderen, Mariska, Doeko en Evelien.

De twee meiden hebben de felheid van jou en Doeko de rust van pap. Toch weet ik zeker dat je ze alle drie in jouw boezem zou hebben opgenomen. 

Nee, het seminarie is geen succes. Verdriet beheerst mijn leven. Elke avond schrijf ik in de studiezaal brieven aan jou in plaats van Latijn te leren.

Na een jaar leg ik ze in het cederhouten sigarenkistje van pap en begraaf dit met mijn handen in het donker achter de cour.

Het begin van loslaten. sigarenkistje.jpg het kistje gaat dicht 

Inmiddels ben ik 60 jaar en heb jou al 10 jaar overleefd. Toch houden mijn zintuigen, door zien en ruiken, de herinneringen aan een lieve moeder levendig.

Dit telkens, als ik een witte Phlox zie staan, waar ook ter wereld. 

Jouw Jo 

Advertenties