seminarie-merkelbeek.jpg

Met tranen in mijn ogen verlaat ik op 1 oktober 1960 met een groot donker bruin kartonnen koffer mijn geliefde Spaans. Pap brengt mij lopend met zijn fiets en het koffer achterop naar de LTM bushalte in Oud – Geleen. pater-met-student.jpg

Mijn eerste wereldreis begint. Met een poen ( kus) en de woorden ” jong, maak er get van” nemen we afscheid op weg naar Merkelbeek nabij Brunssem. Met glazige ogen kom ik hieraan.

Mijn slaapkamertje deel ik op de eerste verdieping met een Tukker, (Overijssel) die qua woorden de laatste letters inslikt en waarvan ik het bestaan nog nooit gehoord heb.

Immers boven Roermond begint Holland en verder ben ik nooit geweest.

De ingelijste foto van mijn overleden moeder zet ik als eerste samen met het kristallen vaasje met rode kunsttulpen voor haar neer op mijn nachtkastje. Daarna ruim ik mijn kleding in de smalle kleerkast.

Er zijn nog meer vreemde vogels, Rudie Soeverijn uit Amsterdam is zeer gebekt en vertelt dat zijn stad de hoofdstad van ons land is. Dit weet ik wel, maar je wordt toch als jongtje uit
“Spaans” er even stil van.

De drieling Ketelaars, uit Doetichem in de achterhoek willen alle drie priester worden, ook zij vormen een front en hebben ook nog een neef meegenomen.

Wel realiseer ik me dat dit gemakkelijk is voor later tijdens een drie herenmis, met een reserve.

Gelukkig ontmoet ik Lambert uit Kerkrade. Zijn dialect is meer Duits, dat van mij meer Frans.

Vanaf vandaag mogen we alleen maar Hollands praten. Lambert en ik zijn vanaf het eerste moment gezworen vrienden en ieder emotie drukken we op de cour in het Limburgs geheim naar elkaar uit.

Veel tijd om bij dit alles stil te staan heb ik niet. Vanaf nu ben ik seminarist en heb me te voegen in het collectief van de grootste gemene deler.

Als ik de eerste avond onder de veilige dekens lig rollen de tranen over mijn wangen en denk aan Spaans. Waar ben ik aan begonnen?

Onze drie eerste leerjaren heet de kleine brug, van vier tot zes is de grote brug. Daarnaast heeft het eerste jaar ook nog een eigen naam. Deze moet ik weer achterhalen.

De zesde jaarsstudenten hebben een soort mentorrol over alle andere leerjaren. In de eetzaal zitten zij aan het hoofd van de lange tafels en controleren je op eetgedrag, wellevendheid en sociaal gedrag.

Voor het eerst leer met mes en vork eten, en cappucijners die ik niet lust in het geheel door te slikken.

Mijn stoelgang die avond zijn harde knikkers.

Anders dan thuis aan tafel maak ik nu mijn huiswerk in een studiezaal.

Keurig zitten we allen achter elkaar aan een studietafeltje in uiterste stilte. Een Pater gezeten op een podium surveilleert op de naleving van de regels.

Al snel bemerken wij dat er verschillen zijn. De een loopt controlerend op je studiewerk rond en de ander zit met sigaar op het podium uitvoerig De Nieuwe Limburger te lezen. Met deze laatste heb ik meer op.

Een humorristisch voorval.
Een oudere student met lef sluipt met zijn brandende cigaret naar de krantlezende pater en houdt aan de voorkant de brandende peuk er tegen aan. Vervolgens sluipt hij stil terug naar zijn studieplek.

Langzaam zien we een bruine verkleuring en rookontwikkeling ontstaan. Tot een ontploffing komt het niet maar de krant gaat in vlammen op.

Solidair als we zijn wordt de aanstichter niet verraden, maar krijgen we allemaal van Pater Rector anderhalf uur extra strafstudie.
laurel.jpg
Een keer in de maand is er op zondagavond in de eetzaal een filmavond, meestal een zwart- wit film over de Dikke en de Dunne, de tweede helft blijft het leukst als de film lopend teruggespoeld wordt. Ja we waren snel tevreden.

Latijn en Frans leren vind ik een kluif. Puella, puerri, en porci gaat nog wel, die hebben we thuis ook.
Maar, Le chat on sur le piano, gaat net te ver, wij hebben een kat maar die heeft alleen maar een tafel beschikbaar.

Op de dag voor mijn verjaardag 30 september (14) komt pap mij op zijn fiets bezoeken. Schoon wasgoed bij zich en het vuile van 14 dagen neemt hij mee naar huis.

Ik krijg mijn eerste voetbalschoenen, wat voel ik me trots.

Hub en Clem bezoeken mij op mijn verjaardag. Van hen krijg ik een boek met oorlogsverhalen uit de tweede wereldoorlog, getiteld, De dag waarop mijn vader huilde. Op de omslag staat een foto van de Dokwerker, dit weet dat verrekte Amsterdammertje me te vertellen.dokwerker2.jpg

Trots zeg ik dat bij ons in Geleen een standbeeld staat met koningin Wilhelmina en daarnaast een mijnwerker met een boer, en dat ik koningin Juliana dat heb zien onthullen in 1959.

De koningin heeft hij nog nooit gezien, dus de stand is 1 -1.

Lambert heeft kennis en veel belangstelling in hystorische opgravingen. Samen met hem op weg naar de Schinveldse bossen wroet ik de Limburge klei door in Schinveld en vinden we verschillende speerpunten. Onze verbondenheid wordt alleen maar groter.

Ook de vaste wandeltocht naar de Brunssemmerheide, aan de Rode beek blijft genieten.

Sinterklaasavond op 6 december is een angstige aangelegenheid.

Met bruut geweld stormen de zesde jaars zwarte pieten met roe en kettingen de studiezaal om 20.00 uur binnen en meppen links en rechts om zich heen, waarschijnlijk al vast een voorproefje op de kassteiding straks in het klooster.

voetwassing.jpg
In de vastentijd breng ik mijn eerste passiespel ten toneel. Eerst als apostel tijdens het laatste avondmaal en wast Jezus mijn zweetvoeten, ontstaan door de zenuwen en de hormonen van de puperteit.
kelk-jezus.jpg
Daarna als de engel Gabriël in de hof van Olijven met kelk, waarbij Jezus aan me vraagt.

Vader,mag deze kelk aan mij voorbij gaan?

Nee, natuurlijk niet, ik ben je vader niet, en ben niet voor niets uit de hemel komen vliegen.
hof-van-olijven.jpg
Op deze foto sta ik rechts als goochelaar en heb Jezus na drie dagen uit zijn graf laten verdwijnen. Je ziet de verdwaasde blikken van de twee apostellen en dit tot verbazing van alle nageslachten.

Moeke laat mij echter niet los, mijn verdriet deel ik alleen met Lambert.

Tijdens de uren in de studiezaal begin ik verhalen aan haar te schrijven. Ieder avond neem ik die mee naar mijn slaapkamer en stop ze in het houten cigarenkistje van pap.

Een keer betrapt de strenge Latijnse leraar mij tijdens het schrijven in de studiezaal.

Ik zit versteend. Hij neemt mijn tekst, leest die en legt een hand op mijn schouder. Vervolgens fluistert hij mij in het oor. Latijn is voor jou niet weggelegd, schrijf jij maar aan je moeder.

In huilen uitbarstend verlaat ik de studiezaal en begraaf die zelfde avond het kistje achter de cour.

Met Pater Rector heb ik niet veel te makken, hij heeft zo zijn eigen voorkeuren onder bepaalde studenten, en zo vaak als ik bij hem vaderlijk jongens op schoot zie zitten kan ik van mijn eigen vader niet herinneren.

Hop paardje hop was op deze leeftijd al lang voorbij.

Als pap uitgenodigd wordt op zijn spreekuur, weet ik hoe laat het is. De priesteropleiding is voorbij. Ik kan alleen nog gaan voor het broederschap in de orde der Carmelieten op het juvenaat in Boxmeer.

Zonder afscheid te hebben kunnen nemen van Lambert ga ik terug naar Spaans.

Sorry Lambert, maar bedankt voor je vriendschap.

Advertenties