huis20oma1   Het huisje met  wit huisnummer 66 op een zwart ovale teer achtergrond is niet na gebouwd. Het staat er al sinds 1850 gelegen in een flauwe bocht in ’t Straetje ( straatje).

Het oudste huisje in ons gehucht Spaans-Neerbeek horend onder de gemeente Geleen is getekend door de tand des tijds en kleine klimvarens hebben zich met hun wortels genesteld tussen de uitgesleten kalkvoegen.

Mij oma is ook getekend, maar haar rimpels zijn voortdurend met haar bewogen leven mee veranderd.

Het huisje gebouwd uit mergelblokken en brikken (stenen), lijkt het aan de voorkant een kleine vesting met bovenin twee ruime schietgaten. Geschoten wordt er nooit, al acht ik oma hiertoe wel in staat.

Oma is geen Hollander maar Limburger, ik ben geboren in het Hertogdom Limburg. De trots straalt er van af als zij dit zegt.

Als klein jong stel ik me bij Hertogdom een Hertog en een Hertogin voor, maar dit kan ik van oma niet zeggen. Zij lijkt meer op vrouw Holle met haar haarknotje.

De vier ijzeren ankers op de voorgevel van het huisje smeden de vier gammele achter kamertjes tot een geheel.

Binnen ligt overal een lemen vloer, die wekelijks worden bestrooid met zilverzand om schoon te houden.

De muren van het aangrenzend schuurtje zijn opgetrokken uit houten balkverbindingen met daartussen gevlochten wilgentakken afgepleisterd met Limburgse klei en wit gekalkt, van het wit is echter weinig meer te zien.

Mij spreekt die gele-oranje Limburgse our kleur meer aan.

Aan de zijkant ligt een kleine hoogstamboomgaard, overtollig fruit belandt naast dagelijks gebruik in weckpotten, zo ook voor de daar achter gelegen hof met groenten. 

Alles heeft iets weg van het aardsparadijs, alleen is het stiekem appel plukken geen dood zonde.

Verse bloemen uit de hof staan wekelijks in een hoge weckfles op de keuken tafel, de inrichting wordt hierdoor gelijk vrolijker.

In mijn jeugd is het huisje een zeer gewild object voor kunstschilders en fotograven.

Binnen komen mogen zij niet. Het is lapswans volk dat niet werkt volgens mijn oma en haar geloof ik nog meer dan mijn ouders.

Opa en oma Pinxt- Thijssen komen van geboorte uit Geulle en wonen vanaf 11 september 1918 samen met vijf kinderen hier.

Opa ken ik niet die is al lang voor mijn tijd op zijn 47 ste jaar naar de hemel, hel of vagevuur gegaan. 

Wel bidden wij ieder jaar op Allerzielen voor hem om aflaten te verdienen. Ik moet er niet aan denken dat hij met zijn billen in het vagevuur zit laat staan met andere heilige delen.

Oma maak ik met vrijgezel nonck Hubke tien jaar mee, een bijzonder stel samen met het huisje.

Met alle drie heb ik een haat-liefde verhouding door hun eigenaardigheden en gebreken, oma waggelend als een gans, de nonck hinkend met zijn benen en een huisje dat op onverklaarbaar bewonen staat.

Ondanks de buiten ogende vrolijkheid, vind ik het huisje binnen somber en veren de lemen vloeren door als je stevig stapt. 

Je kunt zomaar in de lemen donkere kelder terecht komen tussen weckpotten, muizen, aardappels, fruit en kolen.

Bij oma loop ik al dansend als Tijl Uilenspiegel.

Omdat kunstenaars nooit binnen mochten komen en ik anders over hen denk wil ik nu (62) het huisje vanuit mijn kindjaren beschrijven. 

Na de klemmende groene voordeur met klepel open gedaan te hebben kom ik in het pikdonkere voorportaal waar de waterpomp en het granieten aanrecht zit.

De keuken heeft iets weg van een bedompte kerker, en de lichtinval door de beide vierkante spijl raampjes is minimaal. 

In het midden aan de zijgevel staat het kolenfornuis geflankeerd door kolenkit, emmer met houtblokken en twee gematte stoeltjes. 

Op het fornuis staat naast de waterketel de koffiepot te pruttelen waarvan de geuren met het vorderen van de uren steeds meer naar een toverdrankje beginnen te ruiken. Aan de kachelbuis hangen de blauw geruite theedoeken te drogen.

Het met vim uitgeschuurde grenen eettafeltje met drie stoeltjes staat aan de kopse kant van het keukentje onder een van de raampjes, daarboven hangt een melk wit treklampje.

Omdat oma slecht ter been is leest zij op zondag al zittend op het tafeltje met treklamp vlak voor haar neus de mis uit het kerkboek.

Plechtig vind ik haar houding niet zij lijkt net de oma van Roodkapje in bed, waar ik als Hans koekjes kom brengen en de vuile was ophalen.
Of oma kan lezen weet ik niet, heb ik ook nooit durven vragen. Misschien leest zij alleen via de pentekeningen in het missaal.

Storen tijdens de mis is er niet bij heeft de ervaring mij geleerd en dus ga ik na de mis op zondagsbezoek.

Ook de nonck heeft zijn vaste ingeklemde zit plaats tussen tafel en keukenkast. Ook hij weet zijn rang al gaat die verder dan die van mij.
In zijn timmerwerkplaats is hij de baas, vakman en meubelmaker, binnen is hij weer kind en luisteren doet hij.

Het gezag van oma reikt verder dan het huisje. Nes wordt in ons gehucht gevreesd.

Ik zie nog het holle roggenbrood op het hoofd van de bakkersknecht belanden, gelukkig voor de man dat er alleen maar lucht in zat.

Ja oma was een taaie. Na drie keer bediend te zijn in een reeks jaren hield zij het op de dag voor haar tachtigste verjaardag voor gezien. Haar eigen gebakken vlaaien hebben we op haar begrafenis veroberd met een tas koffie.

Dertig jaar later als de nonck in haar graf begraven wordt  vraag ik aan de niets vermoedende grafdelver of er nog resten zijn? De man loopt naar een kleiheuvel en laat mij een schedel met haar zien.

Nuchter concludeert hij, het was een oude vrouw met lang haar.

Mijn geloof in de hemel verdwijnt ter plekke als sneeuw voor de zon, immers oma ligt gewoon in gedeeltes nog steeds in Zuid-Limburg. 

Mijn enige houwvast is dat de ziel haar lichaam is ontstegen, maar wat wist oma in 1956 van ruimte vaart?

Mij houdt ze niet meer voor de gek, ik geloof niet meer in sprookjes.

Advertenties