albert van de Bergh

Ter tafel ga je niet zo maar. Ter tafel, is gaan aanzitten. Alleen al de ambiance van de tafel doet de smaakpapillen in vervoering geraken terwijl je nog geen hap gegeten hebt.

Hoe vreemd het ook klinkt, het ter tafel gaan heb ik geleerd tijdens mijn monnik bestaan in het Karmelietenklooster te Boxmeer.

De ambiance van de 16 eeuwse refter met levensgrote schilderijen onder het waakend oog  van de stichter graaf Albert van den Bergh  en zijn echtgenote Madeleine de Cusane en verwanten zorgde ervoor dat je dit niet lichtzinnig deed.

Bovendien was mijn  nederige eetplek onder het portret van de graaf.

Vele oud medebroeders zullen tot op de dag van vandaag niet beseffen,dat ik twee jaar onder de graaf mijn ontbijt, lunch en diner naar binnen werkte. Niet dat hij mijn keuze was, maar ik zat in de uitservering naar rang.

Immers de hoofdplek van de prior omringd door zijn kleinkabinet, gezeten onder een stervende Jezus was voor een aantal van mijn medebroeders het einddoel. 

Op voorhand wist ik door mijn status als broeder dat dit doel onbereikbaar zou zijn. Wel kreeg ik hierdoor de gelegenheid details in omgangsvormen en presentatie van de spijzen onder de knie te krijgen.

De robuste uitgesleten kloostertafels waar generaties mannen van graaf  tot monnik aanzaten hebben mij doen beseffen dat ook ik maar een tandwieltje ben geweest tussen vervlogen tijd, en de toekomst. 

Het aanzitten aan de tafels was niet comfortabel. De hard houten banken  en de met hout beklede muren als rugsteun waren vooral praktisch, immers op een bank kun je veel meer mensen kwijt. Bovendien was er een tijd dat het Rijke Roomse leven bloei gekend heeft en de banken gevuld waren.

Hoewel de maaltijden van zeer sober tot corpulent waren stond etiquette en rangorde hoog in het vaandel. De kunst van tafeldekken was eenvoud en weglaten maar alles in stijl. 

 Maar wat er op tafel uitgeserveerd werd was degelijk eerlijk voedsel vanuit de kloostertuin.

De van damast vervaardigde servetten, bewaard onder een houtenservetpers werden met kloosternaam in gotischschrift gerangschikt op status en bij gelijkwaardig op leeftijd, en een ieder kende zijn plek. Mijn naam was Joachim.

Bijzonder is het wel dat ik op 18 jarige leeftijd een eigen kloosternaam  mocht kiezen waarmee ik door het leven zou gaan, Jo wilde ik er inhouden ook al heb ik hem maar 5 jaar gebruikt.

Joachim was de vader van Maria de moeder van Jezus, een bescheiden man, maar zijn kleinzoon heeft heel wat teweeg gebracht.

Conversatie onderling was er maar alleen op hoogtijdagen. Dit heeft er wel toegeleid dat ik me kon concentreren op het ontwikkelen van smaken.

Zo is mijn smaak van kaantjesreuzel tot wildzwijn aan het spit ontwikkeld.

En tijdens de vaste maanden bracht Jezus vis voor ons apostelen binnen die heel Urk niet zou kunnen vangen.

Wijnproeverijen zijn ook niet aan mij voorbij gegaan. Immers het waren de monniken die dit ontwikkeld hebben, tot op de dag van vandaag heb ik daar geen spijt van.

Dat het diner al dampend afgesloten werd met een goeie sigaar, zou nu menig museumdirecteur een hartinfarct bezorgen. Wij wisten toen niet anders, immers het museum was onze huiskamer en graaf Albert liet dit alles toe.

Ter tafel gaan met familie en vrienden vind ik nog steeds een feest, maar de basis is gelegd tijdens mijn kloosterjaren onder het wakend oog van de graaf.

Advertenties