Anton_Pieck_kerstfeest

Weekbladen roepen al vanaf oktober lezers op hun meest ontroerend Kerstverhaal op schrift in te sturen.

De kans dat je verhaal geplaatst wordt, laat staan gelezen is maar weinige gegund. Heb je een blog dan schrijf je gewoon je eigen kerstverhaal.

KERST 1960

Buiten giert de wind. Door de kieren van de draaibare raamdelen dringt de stuifsneeuw zich brutaal naar binnen. Met proppen van het Limburgsdagblad proberen we koningwinter te keren maar dit jaar is hij wel heel erg opdringerig.

De heuvels rondom ons gehucht ogen maagdelijk wit en ook de  altijd zwarte steenberg van de staatsmijn Maurits ontkomt niet aan het natuur geweld en laat zich bedekken onder een deken van sneeuw. 

Binnen is het behagelijk, de haardkachel snort en het vlammenspel achter de micaraampjes hebben iets betoverends en doen me als dertiejarige stil wegdromen naar de gebeurtenissen van het afgelopen jaar.

De opgetuigde kerstboom en door mijn vader voorzien van een houten kruissteun op de vloer versprijdt geuren vanuit een dennenwoud.

Naast de boom staat een emmer met water, immers de Goudse kaarsjes in de boom zijn nogal brandgevoelig en voor je het weet staat al het engelenhaar in de fik.

Ieder jaar vraag ik me af, sturen die engelen hun lokken na het knippen in doosjes vanuit de hemel naar beneden? Voor de kapper daarboven moet het in ieder geval geen pretje zijn, het haar prikt als de neten.

Het mos in de kerststal afkomstig uit het bos te Spauwbeek met daarop gips grazende schaapjes blijft onaangeroerd.

Toch blijft die kerststal als armoedig tijdelijk poppenhuis met al zijn bekende figuranten ieder jaar weer een schouwspel. Geen bouwjaar is het zelfde.

Het meest facinerend vind ik het nep niet flikkerend kampvuurtje.

 Met een witte kat batterij, draadjes,  fietsvoorlichtje, kleine houtjes vervaardigd uit een houten cigarenkistje en rood vliegerpapier weten mijn oudere broers er ieder jaar iets moois van te maken.

Uit de keuken komen geuren van gaarstovende konijnen in het zuur, immers op deze Kerstavond moeten zestien magen gevuld worden met al die vrijers erbij.

De kop vind ik het meest smakelijk van het beest, die kun je heerlijk uitzuigen. 

Van de daar altijd bij behorende spruitjes gruwel ik, maar geprakt met flink wat appelmoes glijden ook die naar binnen.  

Mijn oudere broers en zussen zijn druk in de weer de rietenmanden met verpakte cadeautjes naar beneden te slepen. Met het pakpapier gaan we zuinig om, scheuren is er niet bij want we gebruiken het ieder jaar weer opnieuw todat het op de draad toe versleten is.

Een aantal cadeaus past niet in de manden, maar aan de ingepakte vorm te zien haal je er zo de strijkplanken, handdoeken, beddengoed, bezems en stofzuigers uit bestemd voor de uitzet van die vijf ouderen. Een cadeau vind ik dit spul niet, immers die dingen heb je nodig.

Wij vijf jongeren krijgen vanavond maar een klein aantal cadeautjes.

Immers Sinterklaas is Jezus voor geweest.

Meestal zien ook wij aan de vorm van de verpakking wat er in zit. Veelal is dit een trui of sokken gebreidt door tante Catoo op haar machine. Ook deze dingen vind ik geen cadeaus.

Nadat we onze chipolata pudding veroberd hebben begint het grote spel van geven, ontvangen en gedichtjes lezen, altijd spannend.

Vol verlangen kijk ik uit naar mijn eerste pakje, als ik het ontvang barst ik in huilen uit. Een ieder reageert verbaast.

Al snotterend roep ik, dit  pakje is voor ons Moeke, haar naam staat er op, en aan de achter kant die van mij.

Even valt het uitpakritueel stil en pinken we allen onze tranen weg.

Ja voor het eerst is  moeder Moeke (50) er met kerstmis nooit meer bij en ik kan haar op moederdag nooit meer frezia’s geven zeg ik snotterend, om hierna mijn trui van tante Catoo al scheurend uit het papier te halen.

Advertenties