You are currently browsing the category archive for the ‘jeugdbiografie’ category.

Dinsdagochtend 8 december is aan het lijden na 14 jaar een eind gekomen. Voor Huub, wij noemde hem Broer ervaar ik dit als een opluchting ondanks het verdriet en de leegte die hij achter laat.

Emoties overheersen en ik ben druk met het schrijven van een afscheidswoord voor zijn uitvaart, immers dit had ik hem beloofd in het ziekenhuis na zijn beenamputatie.

Op het moment van schrijven zit er een Onze Lieve Here beestje op mijn scherm, even later vliegt het ter hemel.

Is dit nu al een teken uit de hemel vraag ik me af?

Samen spraken we  over de dood. Het was een warm en luchtig gesprek.

Een groot deel van dit schrijven heb ik uitgesproken in de kerk. Op mijn site voeg ik hierbij mijn persoonlijke gevoelens en ervaringen  toe.

Als lijden een zware last wordt, kan de dood een bevrijding zijn.

Lieve Huub, Lieve Broer, Lieve Oom,

Symbolisch hebben wij. een aantal van je peetkinderen, peetzus, schoonzus uit Australie en drie jongere broers je naar binnen begeleid in de St. Martinuskerk te Beek (L).

Met z’n allen vertegenwoordigen wij een stukje familie geschiedenis al besef ik dat we door dood of andere familie omstandigheden niet hier allemaal zijn.

Opnieuw confronteerd deze kerk ons met afscheid. Immers jullie zoon Maurice (45) nam hier ook afscheid in april dit jaar.

Onze Pater familias is niet meer. Vader der familie is niet meer.

Met jouw dood lieve broer zijn we afgelopen dinsdag allemaal een beetje dood gegaan. Graag hadden we je nog vele jaren in ons midden gehad.

Immers jij was een familie mens. Intens kon je al rokend achter een sigaartje genieten van het samen zijn doormiddel van gesprek, gecombineerd met een etentje en een goed glas wijn.

Jouw rol binnen ons gezin was tweeledig. Immers ons gezin bestond uit twee generaties. Vijf kinderen van voor de tweede wereldoorlog en vijf er na.

Voor de ouderen was je een van de gelijken, maar door je vermeende priester roeping verwierf  je toch een status aparte gezien de toen heersende visie binnen de Rooms Katholieke kerk.

Voor ons vijf jongeren was je lange tijd raadgever en baken op weg naar volwassenheid.

Voor mij persoonlijk komt onze bijzondere band voort vanuit deels dezelfde jeugd ervaring. Beide bezochten wij immers het seminari en over het kloosterleven kon ik je weer later meer vertellen, omdat ik die ervaring had.

Beide kozen we toch voor een huwelijk, en beide kregen we kinderen waar we trots op zijn.

Huub, onze broer was een veelzijdig man. Gevormd in zijn jeugdjaren op het seminari van de Paters Der Heilig Harten te St.Oedenrode koos hij uiteindelijk toch voor een werelds bestaan. Hij heeft er goed aan gedaan.

Toch heeft deze periode in belangrijke mate zijn verdere  leven vorm gegeven. Dit in visie, cultuur, werk en hobby’s.

In visie was jij beschouwend en relativerend. Met regelmaat zocht je bezinningsmomenten op met vrienden binnen de kloostergemeenschap der Benedictijnen te Mamelis.

In je werk als directeur van het vormingsinstituut voor jongeren in Zuid-Limburg sociaal bewogen.

Met recht werd je bij het afscheid Ridder in de Orde van Oranje Nassau maar het zou ook hoger mogen zijn. Maar  jouw onzichtbare  ridderschap heb je samen gedeeld met al die andere mensen die nooit geridderd zijn.

Cultureel had je een liefde voor kerken, monumenten, musea’s, jouw stad Maastricht, Oostenrijk in je jonge jaren maar later vooral Frankrijk.

Jullie kinderen hebben die liefde van  beide ouders meegekregen.

Tijdens familie dagen bracht je ons regelmatig in de natuur, hedendaagse architectuur en bezienswaardigheden uit vervlogen tijden.

Dit alles doorspekt in uitleg met de nodige humor gecombineerd met een bezoek aan een bruin taveerne.

Je zou een goede stadsgids in Maastricht geweest zijn.

Marijke en ik kijken met een goed gevoel terug op de familiedag in september dit jaar in Geldrop.

Bewust hadden we het programma afgestemd op oudheid en cultuur, maar lieve Broer de eerlijk gebiedt dat wij er ook vanuit gingen dat het voor jou wel eens de laatste familiedag zou kunnen zijn.

In de trouwzaal van Het Kasteel, verbond je ons als schijn ambtenaar en predikter opnieuw in de echt.

Even dacht ik waren we beide maar priester geworden maar wel met de vrijheid zonder celibaat.

Jouw hobby”s waren veelzijdig.

Samen met Clim hadden jullie vanaf 1974 tot 2000 met drie echtparen een culinaire diner-club. Vier keer per jaar werd er samen gekookt.

Je siertuin waarvan je alle planten met de Latijnse namen kende was een welkome  afleiding na denk- en schrijfwerk. Al wroetend in de aarde raakte je hoofd weer leeg.

Zingen hebben vele binnen ons gezin van moeder Moeke mee gekregen, dit gold ook voor jou.

Jouw liefde ging vooral uit naar het Gregoriaans, en via de Bekerliedertafel heb je deze zang samen met zoon Maurice vele jaren  uitgedragen.

Jou grootste hobby was echter de genealogie. Omstreek 1961 begon je de geslachten van Hees en Pinxt doormiddel van een kwartierstaat te doorgronden en met succes vanaf 1550 tot 2008.

Jouw levenswerk  bevat ruim 414 A viers geschreven in kleine letters.

Met jou ben ik van mening: Wie zijn geschiedenis niet kent, kent zich zelf maar ten dele.

In de zomer van 2008 heb je de geschiedschrijving ” Limburg Vaderland van onze voorouders afgerond”. Ik hoor je nog zeggen: op een gegeven moment moet je er een punt achter zetten Jo.

Met het zetten van die laatste kleine punt had je moeite.

Tot slot een speciaal woord aan Clim je vrouw, de kinderen Maurice, Annelore, Cecile, Rob en kleinkinderen.

Wij broers en zussen kijken met respect terug hoe jullie gedurende ruim 14 jaar onze Broer van ziekte naar ziekte begeleid hebben. Het was niet altijd even gemakkelijk.

Sociaal werd jullie wereld door zijn lichamelijke beperkingen beetje voor beetje kleiner, maar het optimisme bleef maar ook de belangstelling naar ons als familie.

Daarnaast heeft het overlijden van Maurice in april dit jaar een diep litteken bij jullie en ons achter gelaten.

Lieve Clim dank voor je onvoorwaardelijke zorg, maar pak ook je eigen leven weer op en zing het verdriet via het koor er uit.

Lieve Broer, jouw strijd is gestreden, het is goed zo.

Van harte hopen wij dat je samen met je zoon Maurice, broer Harrie, Sjaak, Lea en de  ouders van Hees en Pinxt beschouwend vanuit de hemel ons blijft volgen.

Dag Lieve Huub, Dag Lieve Broer,  Dag Lieve Oom, bedankt voor al die warme jaren.

Advertenties

naaimachine

Vroeger en ook nu is een naaimachine een werktuig opgebouwd uit tal van onderdelen dat arbeid verricht zo schrijft het van Dale-woordenboek. Immers bijna alle gezinnen hadden een naaimachine.

Met het vorderen van de welvaart in het Westen werden onze Singer trapnaaimachines verbannen naar derde wereld landen en het begrip naaimachine kreeg meerdere betekenissen.

Naaien schrijft de van Dale is met naald en draad  stofdelen aan elkaar vastmaken. Plat uitgedrukt is het ook seksuele gemeenschap hebben of bedriegen.

Het begrip naaimachine  plat uitgedrukt kent de van Dale nog niet, maar er zijn mensen die mensen, seksueel, financieel, religieus en politiek als naaimachine gebruiken.

 

drie broers

Daar staan we dan, de naoorlogse broertjes aflopend qua leeftijd van links naar rechts stram in houding,  en ieder met een eigen kleur pulover. Die van mij wijnrood, die van Ad wolkenblauw en die van Michel vastenpaars.

Duidelijk is te zien dat we op die leeftijd nog niet gewend zijn voor een camera te poseren.

Op het eerste gezicht lijkt de foto dan ook saai, maar veeg je haardracht, kleding, sokken en schoenen weg dan zie je drie gezichtjes en handen die emotie uitstralen.

Zelfverzekerd kijk ik de fotograaf aan en mijn gebalde vuist laat duidelijk zien dat ik waak over die ander twee.

 Ad kijkt wat ongemakkelijk en laat zijn handen als een weerloos lammetje hangen.

Michel is afwezig, hij ondergaat het nemen van de foto maar beseft nog niet waar we hier voor staan. Zijn vuistje is nog niet bij elkaar geknepen.

Nu we groot zijn knijpen we alle drie op verschillende wijze onze vuisten bij elkaar, echter zonder geweld en dat siert ons broers.

huis20oma1   Het huisje met  wit huisnummer 66 op een zwart ovale teer achtergrond is niet na gebouwd. Het staat er al sinds 1850 gelegen in een flauwe bocht in ’t Straetje ( straatje).

Het oudste huisje in ons gehucht Spaans-Neerbeek horend onder de gemeente Geleen is getekend door de tand des tijds en kleine klimvarens hebben zich met hun wortels genesteld tussen de uitgesleten kalkvoegen.

Mij oma is ook getekend, maar haar rimpels zijn voortdurend met haar bewogen leven mee veranderd.

Het huisje gebouwd uit mergelblokken en brikken (stenen), lijkt het aan de voorkant een kleine vesting met bovenin twee ruime schietgaten. Geschoten wordt er nooit, al acht ik oma hiertoe wel in staat.

Oma is geen Hollander maar Limburger, ik ben geboren in het Hertogdom Limburg. De trots straalt er van af als zij dit zegt.

Als klein jong stel ik me bij Hertogdom een Hertog en een Hertogin voor, maar dit kan ik van oma niet zeggen. Zij lijkt meer op vrouw Holle met haar haarknotje.

De vier ijzeren ankers op de voorgevel van het huisje smeden de vier gammele achter kamertjes tot een geheel.

Binnen ligt overal een lemen vloer, die wekelijks worden bestrooid met zilverzand om schoon te houden.

De muren van het aangrenzend schuurtje zijn opgetrokken uit houten balkverbindingen met daartussen gevlochten wilgentakken afgepleisterd met Limburgse klei en wit gekalkt, van het wit is echter weinig meer te zien.

Mij spreekt die gele-oranje Limburgse our kleur meer aan.

Aan de zijkant ligt een kleine hoogstamboomgaard, overtollig fruit belandt naast dagelijks gebruik in weckpotten, zo ook voor de daar achter gelegen hof met groenten. 

Alles heeft iets weg van het aardsparadijs, alleen is het stiekem appel plukken geen dood zonde.

Verse bloemen uit de hof staan wekelijks in een hoge weckfles op de keuken tafel, de inrichting wordt hierdoor gelijk vrolijker.

In mijn jeugd is het huisje een zeer gewild object voor kunstschilders en fotograven.

Binnen komen mogen zij niet. Het is lapswans volk dat niet werkt volgens mijn oma en haar geloof ik nog meer dan mijn ouders.

Opa en oma Pinxt- Thijssen komen van geboorte uit Geulle en wonen vanaf 11 september 1918 samen met vijf kinderen hier.

Opa ken ik niet die is al lang voor mijn tijd op zijn 47 ste jaar naar de hemel, hel of vagevuur gegaan. 

Wel bidden wij ieder jaar op Allerzielen voor hem om aflaten te verdienen. Ik moet er niet aan denken dat hij met zijn billen in het vagevuur zit laat staan met andere heilige delen.

Oma maak ik met vrijgezel nonck Hubke tien jaar mee, een bijzonder stel samen met het huisje.

Met alle drie heb ik een haat-liefde verhouding door hun eigenaardigheden en gebreken, oma waggelend als een gans, de nonck hinkend met zijn benen en een huisje dat op onverklaarbaar bewonen staat.

Ondanks de buiten ogende vrolijkheid, vind ik het huisje binnen somber en veren de lemen vloeren door als je stevig stapt. 

Je kunt zomaar in de lemen donkere kelder terecht komen tussen weckpotten, muizen, aardappels, fruit en kolen.

Bij oma loop ik al dansend als Tijl Uilenspiegel.

Omdat kunstenaars nooit binnen mochten komen en ik anders over hen denk wil ik nu (62) het huisje vanuit mijn kindjaren beschrijven. 

Na de klemmende groene voordeur met klepel open gedaan te hebben kom ik in het pikdonkere voorportaal waar de waterpomp en het granieten aanrecht zit.

De keuken heeft iets weg van een bedompte kerker, en de lichtinval door de beide vierkante spijl raampjes is minimaal. 

In het midden aan de zijgevel staat het kolenfornuis geflankeerd door kolenkit, emmer met houtblokken en twee gematte stoeltjes. 

Op het fornuis staat naast de waterketel de koffiepot te pruttelen waarvan de geuren met het vorderen van de uren steeds meer naar een toverdrankje beginnen te ruiken. Aan de kachelbuis hangen de blauw geruite theedoeken te drogen.

Het met vim uitgeschuurde grenen eettafeltje met drie stoeltjes staat aan de kopse kant van het keukentje onder een van de raampjes, daarboven hangt een melk wit treklampje.

Omdat oma slecht ter been is leest zij op zondag al zittend op het tafeltje met treklamp vlak voor haar neus de mis uit het kerkboek.

Plechtig vind ik haar houding niet zij lijkt net de oma van Roodkapje in bed, waar ik als Hans koekjes kom brengen en de vuile was ophalen.
Of oma kan lezen weet ik niet, heb ik ook nooit durven vragen. Misschien leest zij alleen via de pentekeningen in het missaal.

Storen tijdens de mis is er niet bij heeft de ervaring mij geleerd en dus ga ik na de mis op zondagsbezoek.

Ook de nonck heeft zijn vaste ingeklemde zit plaats tussen tafel en keukenkast. Ook hij weet zijn rang al gaat die verder dan die van mij.
In zijn timmerwerkplaats is hij de baas, vakman en meubelmaker, binnen is hij weer kind en luisteren doet hij.

Het gezag van oma reikt verder dan het huisje. Nes wordt in ons gehucht gevreesd.

Ik zie nog het holle roggenbrood op het hoofd van de bakkersknecht belanden, gelukkig voor de man dat er alleen maar lucht in zat.

Ja oma was een taaie. Na drie keer bediend te zijn in een reeks jaren hield zij het op de dag voor haar tachtigste verjaardag voor gezien. Haar eigen gebakken vlaaien hebben we op haar begrafenis veroberd met een tas koffie.

Dertig jaar later als de nonck in haar graf begraven wordt  vraag ik aan de niets vermoedende grafdelver of er nog resten zijn? De man loopt naar een kleiheuvel en laat mij een schedel met haar zien.

Nuchter concludeert hij, het was een oude vrouw met lang haar.

Mijn geloof in de hemel verdwijnt ter plekke als sneeuw voor de zon, immers oma ligt gewoon in gedeeltes nog steeds in Zuid-Limburg. 

Mijn enige houwvast is dat de ziel haar lichaam is ontstegen, maar wat wist oma in 1956 van ruimte vaart?

Mij houdt ze niet meer voor de gek, ik geloof niet meer in sprookjes.

Mina en Houbert zijn zus en broer,beide zijn blind.

Samen wonen zij in een bescheiden boerderijtje in ons gehucht. keutelbeek.jpg

Paard en wagen hebben ze niet. houber.jpg  Houbert heeft een trekkar en beweegt zich daarmee voort op de tast in ons gehucht.

 

Hij hoeft in mijn jeugd nooit aan de kant te springen voor auto’s of brommers want die zijn er niet.

 

Het geluid van paard en wagen herkent hij van verre en hij weet precies welke boer op de bok zit.

 Bovendien weet een ieder dat hij blind is en daar wordt rekening mee gehouden.

Meestal stopt de tegemoet komende boer en wordt er gebuurt.

Houbert steekt dan zijn kromme pijpje op of neemt een homp pruimtabak uit zijn metalen blikje. Wel moet je uitkijken waar hij zijn bruine fluimpjes uit spuugt, want met kijken neemt hij het niet zo nouw.

Mina heeft net als meeste vrouwen, moeite met oriëntatie.

Haar leefwereld beperkt zich tot de omgeving in en rondom de boerderij. Wekelijks veegt zij gebogen met een bezem zonder steel het erf aan.

Daarnaast melkt zij de huis koe, en verzorgt de loslopende kippen en de twee varkens.

Wekelijks bereidt zij  brooddeeg in een grote houten trog, dat bakker Erkens in Neerbeek vervolgens afbakt en in de middag thuis bezorgd.

Koken doet zij zelf, vraag mij niet hoe. Maar broer en zus heb ik geregeld achter een warme prak zien zitten.

Als ik voor een boodschap hun boerderijtje bezoek herkennen zij aan mijn voetstappen dat ik een zoon ben van  Sjeng en May  van de Pink.

Telkens vraag ik me af, kunnen zij dan toch zien, maar hun ogen  stiekem dicht knijpen?

Niets is minder waar.

Buiten het gehucht zijn broer en zus ontredderd.

De wekelijkse boodschappen van kruidenier, slager, melkboer, bakker en veevoer worden ter plekke bezorgd maar dit geldt voor de meeste gezinnen in ons gehucht.  

Alleen de kerk van Neerbeek, en die is groot, kan men niet naar beide toebrengen, maar ook dit geldt voor heel ons gehucht.

Op zondag maakt Houbert gezeten achterop de fiets van overbuurman  Janssen de gang naar de mis.

Mina doet dit collectief. Zes buurtvrouwen lopen dan gearmd in elkaar met Mina in hun midden naar de vroegmis.  mina-sassen-spaans.jpg De straat is dan versperd.

Al lopend wordt zij bij gepraat over het nieuws uit de gazet De Nieuwe Limburger van de afgelopen week. Daarnaast krijgen ook alle dorps roddels aandacht en deze hebben nieuwswaarde voor alle zes dames.

Het “zien” voor broer en zus gaat over als Geleen hun vertrouwde woonomgeving annexceerd en zij gedwongen moeten verhuizen naar een ver bejaardenoord.

Kort hierna overlijden beide, zij konden geen oog meer dicht knijpen.

Burgemeester en Wethouders van Geleen wat waren jullie blind.

Al schreeuwend “ lommele, knienen vellen “ duwt hij zijn handkar voort.

De kleding weegt hij doormiddel van zijn koperen ulster per ons en met zijn pink maakt hij deze een aantal onzen lichter.

Voor gedroogde konijnenvellen wordt afhankelijk van de grote een prijs geschat. Uiteraard brengt een Vlaamse reus meer op, immers die kan als vloerkleed op de slaapkamer gebruikt worden.

Gebruikelijk is dat de man koffie blijft drinken. Onder het zetten van de koffie struint hij het erf af op zoek naar oud ijzer.

Bij zijn vertrek roept hij hartelijk, zo jullie zijn mooi van die oude troep af.

De winst is duidelijk. Gratis koffie, een beperkt gewicht aan lompen, gratis oud – ijzer en konijnenvellen voor een habbekrats.

Maar ook mijn ouders zijn tevreden, zij beuren enkele guldens ook al hebben zij die meervoudig aan malle Pietje uitgegeven.

  

phlox-1.jpg
Er zijn bloemen, die je zintuigen terugvoeren naar geuren, emoties en herinneringen vanuit je jeugd.

De witte Phlox uit onze tuin is voor mij die bloem. Als 13 jarig joch leg ik het boeket, de steeltjes verpakt in zilverpapier, op donderdagavond 7 juli 1960, naast je hoofd in de kist in de rouwkapel van het ziekenhuis ‘De Goddelijke Voorzienigheid’ te Sittard. Je bent 50 jaar. ziekenhuies-sittard.jpg  het ziekenhuis, Goddelijke voorzienigheid.  

Ik heb nadien, bij het horen van de naam Goddelijke Voorzienigheid’, mij vaak afgevraagd.

Wat was hier goddelijk aan en wat voorzien met tien kinderen, van wie de vijf jongste tussen zes en dertien jaar oud zijn?

Jouw zwart – grijze haren fonkelen in het licht van het zilverpapier en je ziet eruit als een lieve fee. 

Het is dinsdagavond 4 juli, wanneer ik samen met mijn broer Hub, zijn verloofde Clim en  vader met de fiets op ziekenbezoek bij je ga.

Met broer Ad logeer ik tijdens jouw ziekenhuisopname bij je vriendin, tante ‘Sunny Home’ in ons gehucht Spaansneerbeek, nabij Geleen. ‘Sunny Home’ staat met smeedijzeren letters op de voorgevel van het huis en dus heet tante ook zo.  jeugdopnames-20020122jp-037.jpg  de woning van tante Sunny 

Aangekomen in het ziekenhuis ben ik blij, emotioneel en opgelucht.

Ik vlij me huilend tegen je aan. Je streelt over mijn donkere haren en zegt dat Ad en ik lief en tevreden moeten zijn bij tante ‘Sunny’. sunny-homespaans.jpg noock en tante

Ik zweer dat we dit zijn. Immers alles is mooier en luxer dan bij ons thuis, dus waarom niet tevreden. 

Tijdens de nacht zeg je tegen ons buurmeisje Ellie Hamers, die als verpleegster in het ziekenhuis werkt.

“Als ik niet meer thuiskom, wil ik die bloemen op mijn graf hebben, wijzend op het boeket dat op het nachtkastje staat”.

Of dit gebeurd is? Ik weet zeker van niet. Ellie verwijt ik dit niet als verpleegster, immers allen bloemen werden na het bezoekuur om zuurstof reden op de gang gezet.

Daarnaast heb ik alle bloemen op de dag van jouw begrafenis in mijn handen gehad. 

Woensdagochtend 5 juli,

Ad en ik zijn om 7.30 uur met de fiets vanuit de vroegmis naar tante ‘Sunny’ voor het ontbijt.

Voor ons ouderlijk huis aangekomen, stappen vader en oudere broers en zussen, zes in getal, van hun fiets.

Verbaasd vraag ik mijn vader, waar ze vandaan komen? Er klinkt een hartverscheurende kreet uit zijn mond.

We hebben geen Moeke meer.

Huilend hol ik naar binnen.

Tante ‘Sunny’ vangt ons nadien op en zegt dat Moeke gelukkig in de hemel is. Ik ben  niet te overtuigen. Maar toch, iemand die in een zonnig huis woont, kan ook niet helemaal ongelijk hebben. 

Tijdens het speelkwartier op school luiden de doodsklokken. Die zijn voor ons moeke. Ik voel me tussen mijn tranen door trots met zoveel aandacht van de meesters, de juf en klasgenoten.

Maar geloven dat jij dood bent, vergeet het maar. 

Woensdagavond 5 juli,  

Vader en oudere broers en zussen gaan zo naar de rouwkapel om jou te bezoeken. Wij jongeren mogen niet mee.

Zij zeggen, dat de trombose, waaraan je bent doodgegaan, jouw gezicht paars heeft gekleurd en dat zou voor ons een nare herinnering blijven. Ik ben kwaad en opstandig en pik dit niet. Hoe dan ook, ik weet zeker dat ik morgen mee ga. 

Donderdagavond 6 juli,  

Opnieuw gaan zo dadelijk de ouderen weer op bezoek bij jou. Ik maak een drama.Tegen mijn vader zeg ik. Ik geloof niet dat Moeke dood is als ik haar niet mag zien.

Uiteindelijk mag ik op aandringen van mijn zwager Louis, gezeten in mijn korte broek met de bos phloxen stevig in mijn handen geklemd, achterop de fiets van vader mee. 

Jij ligt verhoogd in een kist van berkenhout. Ik kijk net over de rand. Je slaapt en jouw zwart – witte haren zijn mooi gekampt en steken af tegen het geel – witte zijden hoofdkussen.

Jouw gezicht is lief, niet streng en niet paars. Je hebt dezelfde kleur als het kussen en een roze kleed aan. Over je borsten liggen twee witte anjers gekruist.

Met die bloemen heb ik nadien nooit meer iets gehad.

Tussen je handen heb je de wit gevlochten rozenkrans, die je ooit gekocht hebt op bedevaart naar Banneux in België.

Ik herinner mij de cote d’or chocolade, gevuld met hazelnoten, die we kregen bij jouw terugkeer. 

Als pap jou omhelst en kust en zegt: “Mieke, dit is de laatste keer”, en ik mijn vader voor het eerst in mijn leven zie huilen, besef ik dat het waar is.

Moeke jij bent dood. Allen huilen we in koor, maar het lucht op. 

Vrijdagochtend 7 juli, 

Het is gezellig druk bij ons thuis. Ooms, tantes, neven en nichten en andere familieleden waarvan ik de meeste niet ken.

Ze zeggen dat we eens gauw langs moeten komen. Ik begrijp het niet, want ik weet niet eens waar de meeste wonen. 

Om 10.30 uur sta je voor ons huis. Niemand die jou naar binnen brengt. Jij woont hier toch. Huilend kijk ik door het open raampje in de voordeur naar je kist.

In volgorde lopen we nadien achter je aan naar de kerk. 

Vandaag hoef ik als misdienaar de begrafenismis niet zelf te dienen. Nee,  deze dag ben ik zelf lijdend voorwerp.

Ons gezin zit in tegenstelling tot andere dagen, helemaal vooraan in de kerkbanken. Vader hoeft zich niet druk te maken over de bankpacht, afhankelijk van het gezinsinkomen. 

Zes kaarsen, op zilveren kandelaars omsieren je. Op de kist liggen allemaal kransen. Eén van ons gezin met de tekst: ‘Rust zacht lieve Moeke’. Het lint bewaar ik tot mijn achttiende jaar boven mijn bed. moekes-doden-tekst-voorkant.jpg.moekes-doden-tekst-achterkant-001.jpg Doodprentje Moeke       

Als het zegenen en bewieroken begint, besef ik dat het onvermijdelijk moment is aangebroken, de gang naar het kerkhof.

Deze keer hoef ik niet met het kruis aan het hoofd van het gedolven graf te staan. Nee, dat doet mijn vriendje Ton Erkens uit Neerbeek.

Nu mag ik huilend aan het voeteind staan en toekijken, hoe jij hangend in touwen, ongelijkmatig naar beneden zakt.

Ook moet ik net als iedereen, zware gele Limburgse klei op je gooien en de holle klanken daarvan aanhoren. 

Thuis gekomen is er een koffietafel, terwijl de regen tegen de ramen striemt. Ik besluit op mijn fiets terug te gaan om de bloemen op je graf droog te bewaren bij het OLV Sterre der Zee in de kerk.  jeugdopnames-20020122jp-066.jpg 

Als ik bij thuiskomst dit trots aan mijn vader vertel, word ik onmiddellijk teruggestuurd om alles weer op je graf te leggen. Waarom? 

Vanaf 8 juli tot 1 september, de dag dat ik naar klein – seminarie ga in Merkelbeek, is jouw graf mijn speel – boetseer en praatplaats.

Twee maal per dag bezoek ik je en ga ik zitten op de opgehoogde klei temidden van de bloemen, die in wekpotten, verzonken in de aarde staan.

Zodra er een marmeren steen op je graf wordt geplaatst en deze met scherpe marmeren steentjes bezaaid wordt, gaat er bij mij de lol af. 

In de klei kon ik brieven aan je schrijven, ze weer uitwissen, beeldjes kneden en erop zitten.

Nee, die steentjes voelen maar koud aan en zijn scherp aan mijn billen. jeugdopnames-20020122jp-047.jpg 
 

1 september,

Ik ga naar het seminarie. Jij wist dat ik priester wilde worden. In eerste instantie was je daar niet blij mee.

seminarie-merkelbeek.jpg Immers, mijn oudste broer Hub was ook al naar het seminarie geweest (1947). De oorlog was net voorbij en financieel hadden jullie het niet breed.

Ook nu is het armoe met tien kinderen. Toch weet ik, dat je trots zou zijn.

Wel is waarschijnlijk goed dat je de afloop nooit gekend hebt.

Ik heb drie schatten van kinderen, Mariska, Doeko en Evelien.

De twee meiden hebben de felheid van jou en Doeko de rust van pap. Toch weet ik zeker dat je ze alle drie in jouw boezem zou hebben opgenomen. 

Nee, het seminarie is geen succes. Verdriet beheerst mijn leven. Elke avond schrijf ik in de studiezaal brieven aan jou in plaats van Latijn te leren.

Na een jaar leg ik ze in het cederhouten sigarenkistje van pap en begraaf dit met mijn handen in het donker achter de cour.

Het begin van loslaten. sigarenkistje.jpg het kistje gaat dicht 

Inmiddels ben ik 60 jaar en heb jou al 10 jaar overleefd. Toch houden mijn zintuigen, door zien en ruiken, de herinneringen aan een lieve moeder levendig.

Dit telkens, als ik een witte Phlox zie staan, waar ook ter wereld. 

Jouw Jo 

strondboer-boerderij-spaans.jpg

 

Dit verhaal is van mijn broer Ad wonend in Australië en de auteur van deze jeugdbiografie.

Ieder jaar omstreeks september nam vader van zijn werk het Stikstof Bindings Bedrijf , (SBB) te Geleen grote papieren zakken mee naar huis voor het rapen van valappels.

Het rapen in de wei met hoogstamfruitbomen bij broer en zus Willemke en Tilleke van Per Willems ging in ruil daar vader de boomzagen van Willemke ieder jaar deed slijpen.

Willemke entilleke-van-per-willems-spaans.jpg Tilleke waren een zonderling stel, een beetje mensenschuw en als bijnaam hadden zij “De Strondboer” .

Willemke, Tilleke, hun boerderij,  het vee, en hun boomgaard zagen er vervallen uit, maar het geheel oogde daardoor toch harmonisch.

De bijnaam “strondboer”  hadden zij  te danken aan de achterwerken van hun koeien die behangen waren met eigen uitwerpsels.

Maar terug naar de appelstroop. foto-blikken-rood-goud.jpg

Appels plukken was er bij Willemke niet bij. Voor ons gezin van twaalf betekende die ruil een jaar lang ingewekte appelmoes en appelstroop.

Met de geleende handmelkkar werd de oogst vergezeld met een grote bruine Keulse pot lopend naar de stroop fabriek Zelis in de Pietersstraat te Oud – Geleen vervoerd.

Nadat deze fabriek ter zielen ging, brachten we de soms doordrenkte zakken met vruchtsap en verdere inhoud naar Canisius te Schinnen.

Na een week kon vader het bruine goud tegen stookkosten daar ophalen en op zolder opslaan.

Jean Canisius was fruithandelaar, het inblikken van stroop begon hij in 1903. Dit boerengebruik uit het Limburgs landschap dankt heel Nederland aan hem.

Daarnaast wordt, zeker in Zuid – Limburg, tot op de dag van vandaag menige boterham belegd met kaas afgezoet met deze lekkernij.

Ook na het verdwijnen van het zwarte goud, weet dit bruine goud zich samen met het witte tot op de dag van vandaag te handhaven. 

Ons moeder, kok bij rechter Jaspar te Maastricht in 1935 bereidde er het kerstkonijn mee. En wat te denken aan het beroemde zuurvlees dat tijdens menige communietafel het hoofdgerecht was.

Wekelijks moest een van ons kinderen met houten pollepel het lege blik met de opdruk van Canisius weer vullen. Het was een stroperige gebeurtenis, maar het aflikken van die pollepel was zalig.

Mijn broer Ad die de ambachtsschool te Hoensbroek bezocht, fietste dagelijks langs de Canisiusfabruik. Hij snoof dan de zoete geuren van het stookproces op.

Zelf  ben ik woonachtig te Geldrop en neem dagelijks de zoete bakgeuren van de Pijnenburg peperkoekenfabriek via mijn zintuigen op.

Appelstroop en peperkoek hebben in combinatie met vleesgerechten altijd iets met elkaar gehad. Zowel bij konijn als zuurvlees smelten ze samen.

Broer Ad woont sinds 1965 in Australië.

Nog iedere ochtend eet hij een boterham met kaas afgeroomd met Canisiusstroop uit Schinnen te Holland, en denkt met weemoed terug aan zijn jeugd in Zuid – Limburg.

Ja, Canisiusstroop verzacht heimwee.

 

       

kerststalbenl35tup.jpg De Avent is nagenoeg voorbij, de vierde kaars van de krans met paars lint brandt inmiddels sinds afgelopen zondag.

Deze week is een week van voorbereiding.

 

Vader heeft de kerstboom gekocht en timmert onder de afgezaagde stam een houten kruis voor de stabiliteit.

 

Mijn broer Hub is druk met de opbouw van de kerststal op de singernaaimachine. Met grotpapier legt hij hele rotspartijen aan.

Het drinkwater voor de schapen bestaat uit een stuk gebroken spiegel omzoomd met mos uit het Spaubekerbos. Het pad naar de kribbe is aangelegd uit kiezelsteentjes geraapt naast ons huis.

Klimop en dennentakken vormen het achtergrond decor.Ook dit komt uit het bos.kerstboom.jpg

 

Het kampvuur in de kribbe bestaat uit een fietslampje aangesloten op een witte kat batterij en afgedekt met rood crepe papier en kleine houtjes. Het kampvuur brand net als echt alleen in het donker. Dit bespaart stroom.

 

Boven de kribbe hangt de engel met de tekst: Gloria in Excelsis Deo. Nog hoger hangt de gefiguurzaagde goudkleurige ster van Betlehem.

 

De driekoningen staan helemaal aan het eind van het landschap wachtend op 6 januari volgend jaar, maar met de dag komen zij telkens een centimeter dichterbij  om op tijd in de kribbe aan te komen.

 

Enkele figuranten moeten met velpon weer mens of schaap worden, immers er sneuvelt in de kerstperiode nogal eens een hoofd. Als het kindje Jesus onthoofd wordt, en dit is toch wel het ergste wat er kan gebeuren, is vaders opmerking. Velpon lijmt alles.

 

En echt hij heeft gelijk.

 

Het versieren van de kerstboom is een feest. De kleurrijke ballen zijn van de zolder gehaald en allen zijn we druk met het behangen van de boom. Bijzonder zijn de vogeltjes en het trompetje dat geluid maakt. Hierna de piek en de zilveren slierten.

 

Daarna worden de kaarshoudertjes bevestigd met witte kaarsjes en als laatste het prikkend wit engelenhaar.

 

In de weken na Sinterklaas zijn de oudere familieleden druk met het kopen en inpakken van de kerstcadeautjes. Veelal gaat het om spullen voor de uitzet al of niet vergezeld met een gedicht. Strijkplanken, Brabantia voorraadbussen en Walra handdoeken volgen elkaar jaarlijks op.

 

Soms is het zoeken naar de juiste naam op het pakje. Dit komt omdat het pakpapier van de voorgaande jaren telkens wordt bewaard en er dus wel twee of drie namen op kunnen staan. Dit laatste maakt het wel extra spannend.

 

Drie dagen voor de Kerst opent vader zijn slachterij. In de stal hangen die avond drie konijnen af te sterven. De vachten zijn inmiddels vol gepropt met het stro van Sinterklaas uit onze schoenen om te drogen, wachtend op de verkoop aan de lompenboer in het vroege voorjaar.

 

Moeder is ondertussen bezig met het trekken van een soepkip van Clerxs, bestemd voor de soep op  eerste Kerstdag en de ragoutvulling voor de bakjes van het ontbijt na de nachtmis.

 

Op Kerstavond ga ik in mijn houtjes, touwtjes jas samen met ons gezin om half twaalf door de sneeuw lopend naar de nachtmis.

 

Voor het eerst zing ik als sopraan vanaf het koor, Stille Nacht, Heilige Nacht. Het kerkvolk ligt aan mijn voeten.

Mijn blokfluit klinkt door de kou enigszins vals, maar die wanklank wordt geabsorbeerd door de overige fluiters.

 

Thuisgekomen staat er een feestelijk gedekte tafel en genieten we van de overheerlijke ragout.

 

Enkele uren later wordt het kerkelijk leven voort gezet. Op naar de Dageraadmis of Herdersmis.

Veel krijg ik van deze mis slaapdronken als ik ben niet mee.

 

Ons Kerstdiner om een uur staat al een aantal jaren vast.

– Kippensoep

– Konijn in het zuur met aardappels, spruiten, schorseneren en appelmoes

– Chipolata pudding in rum vingerkoekjes.

 

Ieder jaar is het weer een strijd wie een van de drie konijnenkoppen mag uitzuigen.

 

Om de spijsvertering op gang te houden, togen we om half drie weer richting kerk voor het lof. Tevens is dit het moment om de grootse kerststal te bezoeken. Een cent in de schedel van Engel Gabriël doet haar tevreden met het hoofd knikken.

 

Het hoogte punt van de dag is de avond. Als de verschillende gevulde rieten wasmanden naar beneden gehaald worden begint het uitpakfeest om beurten.

 

Gedichten, uitpakken weer gedichten en tot slot komen wij als kleintjes eens aan de beurt.

 

Nee, blij zijn Ad, Michel, Marie- Jose, Ton en ik niet met de truien gebreidt door tante Cato, geef ons maar Sinterklaas.

  

   

     

sinterklaas.jpg Nee ik heb U in mijn kinderjaren nooit op een paard zien binnenkomen.

 

In ons kerkdorp Neerbeek kwam Uwe Heiligheid een week voor Uw verjaardag op zaterdagmiddag vanachter de coulissen van het toneel in het parochiehuis te voorschijn.

 

U wist ook niets over mij te vertellen, maar dat heb ik U qua leeftijd nooit kwalijk genomen.

 

Wel ging ik naar huis met een royaal gevulde papieren snoepzak. 

Het was ook de eerste en de laatste keer dat ik U na de opkomst op het toneel in levende lijve zag in het jaar.

 

Vele jaren heb ik mij afgevraagd, wij wonen in Spaansneerbeek en daar moet U vanuit Spanje toch wel een bijzondere band mee hebben. Mooi niet.

 

Een week voor Uw verjaardag mogen we een hoge schoen gevuld met winterwortel en stro voor de haard in de kamer in de kamer zetten. Zingen doen we in onze pyjama’s uit volle borst.

 

De volgende dag ligt er een chocolade sigaar verpakt in zilverpapier en enkele schuimpjes met de afbeelding van U en de pieten in mijn schoen. De sigaar smaakt puur, vanwege de verpakking maar die schuimpjes smaken naar mijn voetgeur.

 

Die dag eten we stampot wortel met speklappen.

 

Op vijf december de dag voor Uw verjaardag zetten we allen voor het naar bed gaan een diepbord op de kamertafel.

Ook nu weer gevuld met een winterwortel en stro.

 

Als we om zeven uur de volgende ochtend onze nieuwsgierigheid niet meer kunnen bedwingen stormen we naar beneden.

 

En warempel daar liggen op het bord de cadeautjes die wij al weken van te voren verstopt achter de gooibank in de voorkamer ontdekt hadden. Ook de tamme kastanjes, opgeslagen door vader op zolder om te drogen liggen op het bord aangevuld met apenootjes.

 

Natuurlijk blijven we geloven in U, immers wij willen dat U ook de komende jaren ons bezoekt met Uw weldaden.

 

Op Uw verjaardag, en wij kinderen hoeven dit niet meer te raden, eten we weer stampot wortel maar nu met een hardgekookt ei.

Er moet toch ergens op bezuinigd worden.

 

In 2004 bezoek ik Uw graf in Myra te Turkije, inmiddels op de hoogte dat U net als alle stervelingen gewoon bent dood gegaan. Ook begrijp ik nu waarom U nooit naar Spaansneerbeek bent gekomen. In Myra groeien in december sinasappels en citroenen aan de bomen. Bij ons zou U het moeten doen met gedroogde kastanjes en apenootjes.

 

Van mijn jeugdsprookje blijft weinig over. U woont niet in een kasteel maar ligt onder de open hemel van een vervallen kerk weggestopt in onderaardse gewelven.

 

Uw sarcofaag ziet er gehavend uit. Bovendien mist Uw stenen namaaksel op de zerk de linkerhand. Ik begrijp uit de begeleidende tekst dat niet iedereen van Uw gulle handen geporteerd was.

 

Hoe dan ook na achtenvijftig jaar ontmoet ik U, de echte Sint Nicolaas, begraven.

Een bijzondere ervaring voor een groot kind.  

Archief